Maandag 11 juni 2012

Op weg naar Utrecht sta ik in de file. Ik denk aan de re√ľnie van zaterdag. Veel klasgenoten van de middelbare school hebben een rustig leven. Dat had ik ook.

Tot ik de wereld binnenkwam van kinderen met kanker. Dat leek in eerste instantie een parallelle werkelijkheid, zoals je die tegenkomt in de verhalen van Harry Potter of Raveleijn. Dit is niet echt. Dit is een droom. Zo leek het. In het begin. Tot ik langzaamaan begon te beseffen dat die wereld mijn nieuwe realiteit was. Leven tussen hoop en angst. Elke minuut van de dag.

De hoop verdween eind oktober. Toen Guusje overleed. Daarna weer een andere nieuwe wereld. Leven zonder Guusje. Een realiteit die moeilijk went. Ze is er niet meer. Ze komt nooit meer terug. Zo onvoorstelbaar. De onomkeerbaarheid van het sterven. Al mijmerend parkeer ik mijn auto. Verplaats mijn gedachten naar het werk.

Aan het einde van de middag heb ik een afspraak bij Bibliotheek ’s-Hertogenbosch. September wordt de ‘Maand van het Schrijven’. Programmamanager Margo nodigt me uit voor het houden van een lezing. Op donderdagavond 20 september. Ze vertelt dat KanjerGuusje steeds is uitgeleend. Het staat in de kast van de Toppers. Ik denk een tip te geven: meer exemplaren aanschaffen. Margo kijkt in de computer: er zijn al 10 exemplaren. Ik ben onder de indruk. Veel mensen die het boek lezen. Veel mensen die kennismaken met de wereld van kinderen met kanker.

Op tijd thuis voor het avondeten. Fijn dat ik erbij ben. Het is gezellig aan tafel. Vaak is school het onderwerp van gesprek. Na het overlijden van Guusje heb ik aangegeven dat onze kinderen alle ruimte krijgen. Welzijn boven prestaties. Voor Lisa is het duidelijk. Ze gaat doubleren. Hans staat er goed voor. Deze week zijn laatste lessen Frans en Duits. Eindelijk bevrijd van de talen. Onze kinderen kiezen allemaal exact. Net als hun ouders. Yvonne studeerde chemische technologie en ik econometrie. Het meest in spanning zit Janneke. Het is bijna verboden om te spreken over donderdagmiddag. Natuurlijk hoop ik dat ze slaagt. Als het niet lukt, dan vind ik het niet erg. Ze heeft haar best gedaan. Trots ben ik sowieso. Op al onze kinderen.

Ik vraag aan Yvonne of ze nog iets heeft gehoord van haar moeder. Daar lijkt het goed mee te gaan. Het past in het beeld van onze wereld van vroeger. Uit de tijd dat alles goed kwam.